gevonden artikel
Natuerferiening Bakkefean: Artikelen

Artikelen

appelvink


appelvink

Er kwamen enkele meldingen door van een Appelvink al of niet met jongen. Dit is best wel knap om te zien, omdat de soort onopvallend is tijdens de broedtijd. Ook is het geluid weinig verheffend: Een harde en explosieve “pick”, die wat lijkt op een Roodborst, maar dan veel harder en metaliger. De zang is een zeer onopvallend “zih, zrri” reeks, waar je zo maar aan voorbij loopt. In de winter en als de bomen nog niet in blad zitten, heb je kans om de soort beter te zien. Je ziet dan een plompe en grote, lichtbruine vinkachtige (ongeveer de grootte van een spreeuw), met een opvallend zware snavel en korte staart. In vlucht laat hij de opvallende tik horen. De vlucht is golvend en beter kijkend vallen een wittige staartband en vleugelvlekken op.

De Friese naam is “Kersenbiter”. De naam is te danken aan het feit dat hij in staat is om kersenpitten te kraken. De snavel kan in verhouding 50 kg. kracht genereren!

De vogel brengt veel tijd door in de kruin van hoge bomen, wat ook niet meewerkt om de vogel te zien. Wel heb je kans om een of enkele op de voederplaats in de winter te treffen. Het is een zaadeter, die ook wel op de bodem foerageert. Het nest zit hoog in bomen in een takvork of tegen de stam en is niet erg beschermd. Rovers als Kraaien, Eksters, Gaaien en Eekhoorns! kunnen het nest dan ook gemakkelijk vrij gemakkelijk vinden.

De soort is vanaf 1975 met een forse opmars bezig geweest. Voor 1980 was het een unicum om een Appelvink in onze provincie te zien. De dichtstbijzijnde broedgebieden zaten vooral in de (loof)bosachtige gebieden in de oostelijke provincies van ons land. Later werd het noordoosten gekoloniseerd. Nog steeds is het een zeldzame verschijning in de open gebieden in Noord- Friesland en Noord- Groningen. De soort was daarvoor landelijk vooral bekend in (kersen)boomgaarden. De in latere jaren flink toegenomen aanplant van besdragende struiken als Zoete kers, Vogelkers, Meidoorn, Sleedoorn etc. hebben meegewerkt aan de flinke areaalvergroting.

Jonge vogels worden in de broedtijd gevoed met (eiwitrijke) rupsen en en andere insecten. Zij profiteren dan van rupsenplagen, net zoals andere vinken, mezen en zangers. 

Broedvogel tellingen in latere jaren in onze omgeving leverden op:

Slotplaats Bakkeveen: 2005: 9 paren; 2011: 17 paren en dit jaar tot nu toe 11 paren. Bakkeveensterduinen: 1 paar en Allardsoog 3 paren. Voor de Duurswouderheide waren geen recente gevens beschikbaar.

De aantallen lijken de laatste jaren wat af te nemen. Dit is waarschijnlijk te wijten aan verdroging, waardoor jonge vogels minder eiwitrijk voedsel kunnen vinden, terwijl ook beukenootjes (een belangrijk wintervoedsel) door droogte een behoorlijke dip krijgen. Ook in Noord-Duitsland is dit het geval (bron: Sovon 2019).

 
Koert Scholten / januari 2020

« terug naar overzicht artikelen